Albert Camus: een portret

Albert Camus, 1913 – 1960 (Foto: United Press International)

De Franse schrijver Albert Camus werd op 7 november in Mondoví geboren als pied-noir in een analfabeet Frans-Algerijns gezin. Omdat zijn moeder hem niet kon opvoeden, bracht hij de rest van zijn kindertijd door bij zijn grootmoeder, die hem met de strenge hand opvoedde. Zijn grootmoeder omschreef hij als een tiran. Zijn vader sneuvelde bij de Slag van Marne, waardoor hij zonder vader opgroeide. Hij had ook nog een oudere broer, Lucien Camus, met wie hij een warme band had. Camus werd vaak alleen gelaten, maar heeft zich naar eigen zeggen nooit eenzaam gevoeld.

Ondanks de armoede waarin hij opgroeide, beschouwde hij zijn jeugd niet als ongelukkig of moeilijk. Hij omschreef zijn jeugd als een ‘jeugd vol nieuwsgierigheid, stilte, energie en emotie’. Hij ging naar de lagere publieke school en viel daar op door zijn inzet en houding.

Op de lagere school werd Camus gezien door zijn leraar, Louis Germain, die zich over de jonge Camus ontfermde. Germain zorgde voor een beurs waarmee hij aan de universiteit kon studeren en speelde daarmee een belangrijke rol in zijn leven. Toen hij op zijn zeventiende tuberculose kreeg, trok hij in bij zijn oom. Bij zijn oom leerde hij voor het eerst kennismaken met de literatuur. 

Na de middelbare school studeerde Camus filosofie aan de Universiteit van Algiers. Daar ontmoette hij zijn filosofieleraar, Jean Grenier, die hem sterk zou beïnvloeden als filosoof en schrijver. Via hem ontdekte hij de liefde voor de literatuur en maakte kennis met filosofen als Nietzsche en Schopenhauer. 

De vreemdeling

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zou Camus later zijn belangrijkste werken gaan schrijven: L'Étranger, Le mythe de Sisyphe en de toneelstukken Caligula en Le Malentendu, die hij de Cyclus van het Absurde noemt. De vreemdeling gaat over een man die zich weigert aan te passen aan de samenleving en zonder reden een Arabier doodschiet op een strand. In de rechtbank verklaart Meursault, de hoofdpersoon, slechts dat het ‘door de zon komt’. Verder beroept hij zich tijdens de gehele rechtszaak op zijn zwijgrecht. 

In een voorwoord voor de Amerikaanse uitgave van het boek schreef Camus dat Meursault een held is die ‘het spelletje niet meespeelt’. Meursault weigert te liegen en erkent zichzelf voor wat hij is. Hij is bereidt om te sterven voor de waarheid, schrijft Camus.

Camus worstelde lange tijd als schrijver. Om de kost te verdienen hield hij er diverse baantjes bij, waaronder als bijlesleraar en professioneel acteur. Voordat hij De vreemdeling schreef, had hij al eerder een poging gedaan met zijn boek De gelukkige dood. Ook daarin pleegt de hoofdpersoon een moord en leidt hij een teruggetrokken bestaan. In tegenstelling tot De vreemdeling is het geschreven in de derde persoonsvorm en had de hoofdpersoon een volledige naam: Patrice Mersault. Opvallend genoeg met één ‘u’. Waarom Camus dat later in De vreemdeling met twee ‘u’s schreef, is nooit duidelijk geworden. 

In het najaar van 1938, pende hij de beroemde opening in zijn notitieboekje, wat direct de toon zette van het verhaal: 

Vandaag is moeder gestorven. Of misschien was het gisteren, ik weet het niet. Ik kreeg een telegram van het tehuis: ‘Moeder overleden. Morgen begrafenis. Hoogachtend.’ Dat zegt niets. Misschien was het gisteren. 

Na deze plotselinge literaire vondst wist hij gelijk hoe het verhaal eruit zou moeten zien: direct, zonder emotie, in de eerste persoonsvorm, en met zintuigelijke zinnen. Na twee jaar voltooide hij uiteindelijk zijn manuscript. 

De mythe van Sisyphus

In De mythe van Sisyphus onderzocht Camus in een reeks essays hoe we moeten omgaan met de zinloosheid van het leven. Het essay begint met de zelfmoord: “Er is maar één werkelijk serieus filosofisch probleem, namelijk dat van de zelfmoord. Oordelen of het leven de moeite waard is om te blijven leven, is antwoord geven op de fundamentele vraag die de filosofie ons stelt.” 

Als het leven geen zin heeft, moeten we dan zelfmoord plegen? Wanneer men die vraag stelt, stuiten ze volgens Camus onvermijdelijk op het Absurde. In De mythe van Sisyphus werkte hij dat idee over het Absurde verder uiteen.

Het Absurde is volgens Camus een gevoel dat iedereen bij de keel kan grijpen. Het Absurde is een tegenstelling, het ontstaat uit een confrontatie tussen het menselijke verlangen naar helderheid en de onmogelijkheid van het verkrijgen van antwoorden. De mens vraagt of het leven zin heeft, maar stuit op een oorverdovende stilte van het universum. Die contradictie noemt hij het Absurde. “Het Absurde ontstaat uit het roepen van de mens en het onredelijk zwijgen van de wereld”, zo vat Camus het in één zin samen.

Camus trekt vervolgens drie consequenties uit het Absurde: vrijheid, passie en verzet. Volgens Camus moeten we ons niet verzoenen met het Absurde, maar er in opstand tegen komen. Als voorbeeld komt hij met de absurde held. De absurde held is iemand die zich weigert neer te leggen bij zijn absurde lot en vol overgave het leven aangaat, met het Absurde in zijn achterhoofd. Op die manier weet hij het maximale uit zijn leven te halen, en alleen dat geeft ons leven waarde, vindt Camus. Zelfmoord wijst hij dus af: dat vindt hij een zwaktebod.

Sisyphus

Als voorbeeld gebruikt Camus de figuur Sisyphus uit de Griekse mythologie als metafoor voor de absurde held. Sisyphus is veroordeeld om voor eeuwig een rotsblok omhoog de berg te duwen, en ziet hem telkens weer naar beneden rollen. Maar in plaats van zich over te geven, daalt hij weer af en rolt hij het rotsblok weer omhoog. Want het rotsblok is van hem, het is zijn eigen lot dat hij in handen heeft. En de strijd zelf naar de top is genoeg om een mensenhart mee te vullen, schrijft Camus. “We moeten ons Sisyphus als gelukkig voorstellen.”

De pest

Tijdens de Tweede Wereldoorlog schreef Camus zijn meesterwerk: De pest, een roman die op indrukwekkende wijze verslag doet van een stad die in de greep wordt gehouden door de ziekte de pest, aan de hand van aantekeningen uit de dagboeken die enkele hoofdpersonen bijhielden in die zware periode.

Het verhaal volgt onder andere dokter Bernard Rieux, die aan de frontlinie staat en zich op heldhaftige mengt in een strijd van leven en dood, al wijst hij iedere vorm van heldendom af. Hij ziet het als zijn plicht om de dood te bestrijden. 

Ook volgt het Jean Torrou, een vriend van Rieux die uitstraalde alsof hij ‘het leven door en door kende’, en de journalist Raymond Rambert, die toevallig op dat moment in de stad was toen de ziekte zijn intrede deed. Samen trekken ze zich moedig ten strijde tegen de ziekte die zich van al hun vanzelfsprekendheden en illusies beroofde.

Het verhaal begint op 16 april 1940 in de kleurloze havenstadje Oran. Het was een warme lentedag zoals zovelen. De cafés en restaurants zaten volgepakt, de treinen reden en vervoerden grote getale reizigers met zich mee, de theaters en bioscopen pulkten uit; het dagelijks leven werd kortom volop geleefd. Op een dag trof Rieux een dode rat aan in de overloop van zijn flat. De rat lag op zijn rug met zijn pootjes stijf omhoog. Omdat zijn conciërge hem er nadrukkelijk op wees dat er geen ratten in zijn huis zaten, deed hij zijn ontdekking als een kwajongensstreek af en ging door met zijn werkzaamheden.

Maar toen er in het stadje enkele dagen later nog meer ratten werden gevonden, begon de ongerustheid toe te nemen. Met man en macht probeerde het gezag de rattenplaag de kop in te drukken. Tevergeefs, want de ratten bleven bij bosjes opduiken. In de straten, huizen en wijken van het kuststadje; in het centrum en in de vuilnisbakken, overal werden meldingen gedaan van ratten die zich daar nestelden en een stille dood vonden. 

Op een dag kwam Rieux op bezoek bij zijn conciërge die zich ziek voelde. Hij vertoonde koortsachtige symptomen met opgezette lymfeklieren in zijn hals en ledematen en twee donkere vlekken in zijn zij: het ziektebeeld van de pest. Rieux tastte in het duister, belde een collega die hem vertelde dat hij in zijn praktijk niks bijzonders zag en bleef op zijn hoeden. 

Toen hij de volgende middag volledig verrast werd door de plotselinge opleving van de patiënt die met veertig graden koorts in bed lag te ijlen, belde hij onmiddellijk de ambulance, niet wetende dat zijn patiënt daarin zou komen te overlijden. Die gebeurtenis luidde later het begin van de pest in.

Enkele weken later zocht dokter Gard, die een bekende was van Rieux, hem thuis op. Gard had dan de sterftecijfers in kaart gebracht en zag dat het exponentieel groeide. Toen hij aan de dokter zijn vermoedens vertelde over de pest, kon Rieux het niet geloven. “Ik wacht het resultaat van de analyses af”, zei hij. 

Pas later zou Rieux erkennen dat het inderdaad om de pest ging en zag hij de ernst van de situatie in. Daarop stelde Gard samen met hem een gezondheidscommissie op die de prefectuur adviseerde over de maatregelen die ze moesten nemen om de ziekte de kop in te drukken. De bevolking zat daar logischerwijs niet op te wachten, en ook de pers zag het allemaal sceptisch aan.

Na de afkondiging van het eerste pakket waren de stadsgenoten nog niet overtuigd van de ernst van de zaak. De straten bleven gevuld, de cafés waren nog altijd overvol en ook de theaters en bioscopen werden ’s nachts nog volop bezocht. Ondanks de groeiende ongerustheid en verbazing onder de bevolking bleven de mensen hun beroep zo goed als ze konden uitoefenen.

Pas toen de stad werd afgesloten van de buitenwereld beseften de inwoners dat ze in hetzelfde schuitje zaten. ‘Vanaf dat moment was de pest zogezegd een zaak van ons allemaal’, schrijft de verteller. Vanaf dat moment moesten ze roeien met de riemen die ze hebben.

In de maanden nadat de ziekte opduikt, raakt de stad steeds verder afgesloten van de buitenwereld en zijn de inwoners praktisch op zichzelf aangewezen. De dagen rijgen zich aaneen en de stadsbewoners passen zich gaandeweg aan hun situatie aan. 

Eerst was er nog ontkenning, vervolgens kwam er acceptatie, en later lijkt de stad zich bijna te berusten in hun situatie. Maar Rieux weigert op te geven en blijft zich verzetten tegen de plaag. Want, zo schrijft hij later, de pest ís het leven. En plagen zijn een zaak van iedereen, maar het is moeilijk om in plagen te geloven op het moment dat ze je overvallen.

In een brief gericht aan Roland Barthes, maakte Camus duidelijk dat het boek inderdaad een allegorie was voor het Franse verzet, maar ‘niet minder dan dat’. De ratten zouden de nazi’s zijn die het nazisme verspreidde. En de artsen, die aan de frontlinie stonden, waren de verzetshelden.   

De doodstraf

Zijn vader had ooit een openbare executie bijgewoond en kwam kotsend thuis, zo vertelde zijn moeder hem ooit. Die anekdote vormde mede Camus’ standpunt over de doodstraf, waar hij de rest van zijn leven tegen zou strijden. In zijn essay, getiteld: Réflexions sur la guillotine, werkt hij zijn standpunt verder uiteen. Hij schrijft dat de doodstraf een barbaarse praktijk is en dat een samenleving zich ook tegen de Staat zou moeten verdedigen, vooral als diezelfde Staat haar macht misbruikt om burgers te vermoorden. “Als moord in de aard van de mens ligt, is het niet de bedoeling van de wet om die aard na te bootsen of te reproduceren. Het is de bedoeling dat de wet die aard corrigeert”, betoogt Camus.

Nobelprijs

Vanwege de strijd die Camus tegen de doodstraf voerde en de stempel die hij op de literatuur drukte, won hij de Nobelprijs voor de Literatuur in 1957. In een brief richtte Camus zich tot zijn leraar Louis Germain. “Zonder u, zonder de liefdevolle hand die u uitreikte naar het arme kleine kind dat ik was, zonder uw onderwijs en uw voorbeeld, zou dit alles niet zijn gebeurd”, schrijft hij. 

Vanwege de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog en de rol die Albert Camus daarin had als Frans-Algerijnse intellectueel, werd hij daarover bevraagd door een groepje Zweedse studenten. “Op dit moment worden er bommen gegooid op de trams van Algiers. Mijn moeder kan zich in één van deze trams bevinden. Als dat rechtvaardigheid is, kies ik liever voor mijn moeder.”

Het kreeg hem op veel kritiek te staan van zijn thuisland.

 

Camus kwam op 46-jarige leeftijd door een auto-ongeluk om het leven en liet een vrouw en twee kinderen achter. De bladzijden van zijn manuscript getiteld: De eerste man, die hij als zijn magnum opus beschouwde, lagen verspreid over de grond. Het verhaal was gebaseerd op zijn eigen leven. Het werk zou nooit voltooid worden.

Bronnenlijst

La Revue des lettres modernes. Autour de L'Étranger - Notes pour le futur biographe d'Albert Camus

Lettre d’Albert Camus à son instituteur Monsieur Germain

Preface to The Stranger (https://olenglish.pbworks.com/f/Preface+to+The+Stranger.htm)

La Peste d'Albert Camus (https://www.gallimard.fr/actualites-entretiens/la-peste-d-albert-camus)

Réflexions sur la guillotine

De vreemdeling

Looking for the Stranger — Alice Kaplan 

De mythe van Sisyphus

Albert Camus — Stanford Encyclopedia of Philosophy (https://plato.stanford.edu/entries/camus/)

De pest